De Europese F-gassenregels versnellen de omschakeling naar koudemiddelen met een kleinere klimaatimpact. Tegelijk evolueert de warmtepomptechnologie. Voor ondernemingen ontstaat daardoor een belangrijk investeringsvraagstuk: welke installatie past bij de regelgeving van morgen én bij de warmtebehoefte van vandaag?

Wie een verwarmings- of koelinstallatie kiest, legt zich voor vele jaren vast. Naast aanschafprijs en energieverbruik verdienen ook het koudemiddel, de onderhoudsmogelijkheden en de toekomstige inzetbaarheid aandacht.

De Europese F-gassenverordening, die sinds 11 maart 2024 van toepassing is, scherpt de voorwaarden voor gefluoreerde broeikasgassen verder aan. Ze combineert een afbouw van HFK’s met beperkingen voor nieuwe apparatuur en voor bepaalde onderhoudstoepassingen.

Geen uniforme einddatum per koudemiddel

De uitspraak “R32 wordt verboden” is zonder verdere uitleg onvolledig. De relevante datum hangt af van het toesteltype, het vermogen en de toepassing. Een verbod op het op de markt brengen van nieuwe apparatuur betekent bovendien niet dat een bestaande installatie op die datum moet worden stilgelegd.

Voor nieuwe airco’s en warmtepompen zijn dit enkele belangrijke mijlpalen:

ToestelcategorieDatumBeperking
Zelfstandige systemen, waaronder monoblock ≤ 12 kW1 januari 2027Geen F-gassen met GWP ≥ 150
Dezelfde categorie ≤ 12 kW1 januari 2032Geen F-gassen
Zelfstandige systemen > 12 tot en met 50 kW1 januari 2027Geen F-gassen met GWP ≥ 150
Overige zelfstandige systemen, waaronder > 50 kW1 januari 2030Geen F-gassen met GWP ≥ 150
Split lucht-water ≤ 12 kW1 januari 2027Geen F-gassen met GWP ≥ 150
Split lucht-lucht ≤ 12 kW1 januari 2029Geen F-gassen met GWP ≥ 150
Split lucht-lucht ≤ 12 kW1 januari 2035Geen F-gassen
Splitsystemen > 12 kW1 januari 2029 / 2033Eerst grens GWP ≥ 750, vervolgens ≥ 150

Dit overzicht betreft het op de markt brengen, exclusief chillers. De verordening voorziet specifieke veiligheidsuitzonderingen: waar een alternatief met lager GWP om veiligheidsredenen niet beschikbaar is, geldt voor verschillende categorieën een grens van 750 in plaats van 150. GWP geeft de bijdrage aan de opwarming van de aarde weer ten opzichte van CO₂. Bron: Verordening (EU) 2024/573, bijlage IV.

Wat betekent dit voor bekende koudemiddelen?

Voor chillers gelden afzonderlijke termijnen: vanaf 2027 een grens van GWP 150 voor toestellen ≤ 12 kW en 750 voor grotere toestellen; vanaf 2032 geen F-gassen in chillers ≤ 12 kW, behoudens de toepasselijke uitzonderingen.

Bestaande installaties vragen een aparte beoordeling. Zo gelden voor onderhoud van airco’s en warmtepompen sinds 2026 beperkingen op koudemiddelen met GWP ≥ 2500, met een tijdelijke uitzondering voor geregenereerde of gerecycleerde middelen. Dat raakt bijvoorbeeld R404A.

Synthetische alternatieven blijven technisch relevant

Naast natuurlijke koudemiddelen bestaan synthetische alternatieven zoals de HFO’s R1234ze(E) en R1234yf. Ze mogen niet als onderling uitwisselbaar worden beschouwd.

R1234ze(E) wordt onder meer toegepast in chillers en water-waterwarmtepompen voor hogere temperaturen. Er bestaan commerciële installaties die hiermee water tot 90 °C produceren, bijvoorbeeld voor warmtenetten en industriële processen. Dat is een eigenschap van de complete installatie en haar werkingsvoorwaarden, niet van het koudemiddel alleen.

R1234yf is vooral bekend uit voertuigklimatisatie en thermisch beheer. Voor de selectie van een hogetemperatuurwarmtepomp is een relevant verschil dat zijn kritische temperatuur ongeveer 94,7 °C bedraagt, tegenover 109,4 °C voor R1234ze(E). Die waarden zijn thermodynamische eigenschappen: het zijn geen maximaal toegelaten aanvoerwatertemperaturen. De bruikbare temperatuur moet uit de prestatiegegevens van het specifieke toestel blijken.

Een koudemiddel alleen vertelt dus onvoldoende over de geschiktheid voor een toepassing. Compressor, warmtewisselaars, warmtebron en regeling bepalen samen wat haalbaar is.

Een laag GWP vertelt niet het volledige milieuverhaal

Bij de keuze van een koudemiddel telt meer dan de directe bijdrage aan klimaatopwarming. Ook afbraakproducten, veiligheid tijdens gebruik en onderhoud en toekomstige regelgeving verdienen aandacht. Zo kan de atmosferische afbraak van bepaalde synthetische koudemiddelen, waaronder R1234yf, bijdragen aan de vorming van het persistente trifluorazijnzuur (TFA).

Daarnaast kunnen fluorhoudende koudemiddelen bij brand of sterke verhitting gevaarlijke ontledingsproducten vormen, waaronder waterstoffluoride en carbonylfluoride. Dat is een afzonderlijk veiligheidsaspect, dat zorgvuldig moet worden onderscheiden van de discussie over PFAS en milieupersistentie. Veiligheidsinformatiebladen van fabrikanten beschrijven deze risico’s per stof.

R290 bevat geen fluor en vermijdt daarmee de fluorhoudende afbraakproducten van het koudemiddel. Propaan is wel brandbaar en vraagt daarom een passend installatieontwerp en veilige onderhoudsprocedures. De keuze blijft een afweging van prestaties, milieu-impact en veiligheid.

Waarom R290 meer aandacht verdient

R290 combineert een zeer lage directe klimaatimpact met mogelijkheden voor hogere watertemperaturen. Het valt buiten de F-gassenafbouw. Propaan is wel brandbaar, waardoor opstelling, veiligheidsafstanden en installatieontwerp zorgvuldig moeten worden beoordeeld.

Er bestaan inmiddels commerciële R290-warmtepompen die aanvoerwater van 70 tot 75 °C kunnen leveren, afhankelijk van toestel en bedrijfsomstandigheden. Dat verruimt de mogelijkheden voor gebouwen met bestaande radiatoren of andere afgiftesystemen die hogere temperaturen vragen.

Daarmee is de algemene stelling dat warmtepompen uitsluitend bij lage temperaturen bruikbaar zijn, achterhaald. Of ze bij een hogere temperatuur ook financieel aantrekkelijk zijn, vraagt een berekening.

Hoge temperatuur vraagt een eerlijke rendementsvergelijking

Een warmtepomp moet harder werken naarmate het temperatuurverschil tussen de warmtebron en de te leveren warmte groter wordt. Lage aanvoertemperaturen blijven daarom gunstig.

Maar een gebouw heeft zijn maximale aanvoertemperatuur vaak slechts tijdens de koudste perioden nodig. Een goed ingestelde weersafhankelijke regeling kan de temperatuur gedurende een groot deel van het jaar verlagen.

Beoordeel daarom het seizoensrendement en de werkelijke gebruiksomstandigheden. Een COP bij zacht buitenweer en 35 °C aanvoer bewijst niet hoe de installatie bij vriesweer en 70 °C presteert.

Illustratief rekenvoorbeeld

Stel: elektriciteit kost € 0,24/kWh, gas kost € 0,08/kWh en het seizoensrendement van de gasketel bedraagt 90 %.

Dan kost ketelwarmte ongeveer 8,9 cent per kWh warmte. Een warmtepomp met een werkelijk seizoensrendement van 3 levert warmte voor 8 cent per kWh. Het omslagpunt ligt in dit voorbeeld bij een seizoensrendement van 2,7.

Dit zijn rekenaannames, geen actuele tariefclaim. Voor de totale businesscase tellen ook investering, onderhoud, netkosten, hulpenergie en eventuele financiering mee.

Een grotere ΔT kan de aansluiting op bestaande systemen vergemakkelijken

Bij ΔT moeten we twee verschillende temperatuurverschillen uit elkaar houden: de temperatuursprong tussen bron en afgifte, en het verschil tussen aanvoer- en retourwater in het verwarmingscircuit.

Dat tweede verschil hoeft niet altijd beperkt te blijven tot 5 à 7 K. Bepaalde warmtepompontwerpen zijn geschikt voor een groter verschil tussen aanvoer- en retourtemperatuur, bijvoorbeeld 60/40 °C: een ΔT van 20 K. Dat kan de integratie in bestaande verwarmingssystemen vergemakkelijken. Deze mogelijkheid moet blijken uit de technische gegevens van het gekozen toestel; ze geldt niet automatisch voor elke R290-warmtepomp.

Het hydraulische voordeel is concreet. Voor 100 kW warmte bedraagt het benodigde waterdebiet, bij benadering:

Waterzijdige ΔTBenodigd debiet
5 K17,2 m³/uur
15 K5,7 m³/uur
20 K4,3 m³/uur

Deze berekening volgt uit het verband tussen warmtevermogen, waterdebiet en temperatuurverschil. Een groter temperatuurverschil kan daardoor helpen om bestaande leidingen te benutten en het benodigde debiet te beperken.

Dat betekent niet automatisch een hogere COP. De warmtewisselaar moet voor dit regime geschikt zijn en de warmteafgifte moet voldoende blijven. Bij dezelfde aanvoertemperatuur verlaagt een koudere retour namelijk ook de gemiddelde radiatortemperatuur. Een bestaande installatie moet dus hydraulisch én thermisch worden doorgerekend.

Een toekomstgerichte keuze begint bij de werkelijke warmtebehoefte

Voor Advalanx begint de selectie bij de bestaande situatie: hoeveel warmte is nodig, op welke momenten en bij welke temperaturen? Vervolgens beoordelen we de installaties, de regeling, de warmteafgifte, de koudemiddelkeuze en de financiële gevolgen.

De combinatie van nieuwe koudemiddelen en aangepaste systeemontwerpen biedt meer mogelijkheden dan de klassieke tegenstelling tussen een gasketel en een lagetemperatuurwarmtepomp doet vermoeden.

Is uw verwarmingssysteem geschikt voor een warmtepomp?

Ook bij hogere temperaturen. Advalanx rekent uw bestaande installatie hydraulisch en thermisch door, onafhankelijk van fabrikant of leverancier.

Plan een eerste kennismaking

Bronnen